Zodra er een kindje geboren wordt, droomt zijn omgeving van een mooie toekomst. En meteen ontstaat bij ouders, grootouders, meter of peter de drang om aan die toekomst mee te bouwen door regelmatig een centje opzij te zetten voor de kleine spruit. De absolute klassieker daarvoor is natuurlijk het spaarboekje bij de bank, maar er bestaat een alternatief. En één dat op heel wat vlakken interessanter is dan het spaarboekje, namelijk het kinderspaarplan.
Een kinderspaarplan is een vastetermijnverzekering. Dat betekent concreet dat de (groot)ouders, peter of meter het spaarplan opstarten (meestal bij de geboorte) en dat het afloopt op de 18e of de 25e verjaardag van het kind voor wie het bedoeld is. De initiatiefnemer voor het kinderspaarplan stort gewoonlijk de eerste keer een aanzienlijk bedrag, om het dan maandelijks, driemaandelijks of jaarlijks aan te vullen met een (minimum)premie van bijvoorbeeld 30 €. Uiteraard kan hij altijd meer opzij leggen en ook tussentijdse stortingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld bij verjaardagen of communies.
Een kinderspaarplan levert per storting een gegarandeerd rendement op. Maar als de verzekeraar goed boert, doet hij daar jaarlijks nog een schepje bovenop in de vorm van een winstdeelname. De afgelopen jaren was dat zeker het geval. En hoewel de rendementen uit het verleden geen garantie bieden voor de toekomst, vormen ze toch een duidelijke indicatie.
Met een gegarandeerde rentevoet speelt u absoluut op veilig. Wilt u het geld voor uw oogappel echter iets dynamischer beleggen, dan bestaan ook daar formules voor. Ze beleggen in een mix van aandelen en obligaties en bieden daardoor – zeker op lange termijn – mogelijk uitzicht op een hoger rendement. Keerzijde is hier uiteraard het grotere beursrisico.
Op de stortingen voor een kinderspaarplan betaalt u 1,1% premietaks. De opbrengsten ervan zijn echter vrijgesteld van roerende voorheffing (15%) op voorwaarde dat het contract langer dan acht jaar loopt. Bij een spaarboekje is de rente tot € 1.770 (2011) vrijgesteld van roerende voorheffing.
Uiteraard is het de bedoeling dat het bijeengespaarde kapitaal op het einde naar het kind in kwestie gaat. Dat kan rechtstreeks, als het kind in het contract als begunstigde is aangeduid. Maar soms acht de ouder, grootouder, peter of meter het veiliger om het kapitaal eerst zelf in handen te krijgen. Je weet immers nooit wat er ondertussen van het kind geworden is. Is het een absolute losbol of is hij ‘op het verkeerde pad’, dan kan de initiatiefnemer van het kinderspaarplan het verstandiger achten het kapitaal (nog) niet aan het kind te geven. Om deze veiligheidsmarge in te bouwen, moet de initiatiefnemer op het moment dat hij het contract sluit zichzelf als begunstigde van het kapitaal aanduiden.
Bovendien kan de initiatiefnemer van een kinderspaarplan ervoor zorgen dat het kind een extra kapitaal (of een maandelijkse rente) krijgt als hijzelf voor de einddatum van het contract overlijdt. Deze bijkomende overlijdensdekking vormt een extra troef die het spaarboekje niet heeft.
Jammer genoeg gebeurt het af en toe dat het kind voor de einddatum van het kinderspaarplan overlijdt. Op dat moment eindigt het contract vroegtijdig en gaat het opgebouwde kapitaal naar de initiatiefnemer van het kinderspaarplan.
Bij elke afname betaalt de initiatiefnemer ook een afkoopvergoeding. Hoe dichter het kinderspaarplan echter bij zijn einddatum komt, hoe lager die afkoopvergoeding ligt. Op sommige momenten valt ze zelfs volledig weg, bijvoorbeeld op de 12e verjaardag van het kind of vanaf zijn 18e verjaardag. Dan kan een deel van het kapitaal bijvoorbeeld gebruikt worden om de studies van het kind te bekostigen. Wordt het geld afgehaald bij het huwelijk van het kind of voor zijn studies, dan is er geen afkoopvergoeding verschuldigd. Voor alle duidelijkheid: het kind zelf kan geen geld opnemen, dat kan alleen diegene die het spaarplan destijds opgestart heeft.





