Wat met de verschillen in groepsverzekeringen tussen arbeiders en bedienden?

De invoering van het eenheidsstatuut heeft ook gevolgen op het vlak van groepsverzekeringen. Een harmonisering van dergelijke plannen dringt zich op. Een kaderwet geeft alvast de krijtlijnen weer van die harmonisering. Wij zetten de belangrijkste punten op een rijtje.

Eerst gaan we even terug in de tijd. In 1993 al oordeelde het Arbitragehof dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden ongrondwettelijk was. Het Hof stelde toen voor om beide statuten op een geleidelijke manier gelijk te schakelen. In 2011, bijna 20 jaar later, was er echter nog niks gebeurd. Het Grondwettelijk Hof, de opvolger van het Arbitragehof, legde vervolgens een deadline op voor de gelijkschakeling van de twee statuten: 8 juli 2013. Weliswaar gold het arrest van het Grondwettelijk Hof enkel voor de opzegtermijnen en de carenzdag.

Drie periodes

Een kaderwet zorgt voor meer regelgeving inzake de harmonisering. Die kaderwet legt drie periodes vast:

  • het verleden tot 31 december 2014
    Bestaat er een verschil in behandeling dat teruggaat op een onderscheid tussen arbeiders en bedienden, dan vormt dit geen discriminatie voor de periodes van arbeid vóór 1 januari 2015.
  • een overgangsperiode van 2015 tot en met 2024
    Is er een verschil in behandeling dat berust op een onderscheid tussen arbeiders en bedienden, dan vormt dit geen discriminatie voor de tijdvakken van arbeid tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2025. Voorwaarde is wel dat het verschil in behandeling al ingevoerd werd vóór 2015.

    Vanaf 1 januari 2015 mag geen pensioenplan (bv. een groepsverzekering) meer ingevoerd worden dat berust op een onderscheid tussen arbeiders en bedienden. Ook mag er in bestaande plannen geen nieuw verschil in behandeling ingevoerd worden. Tenzij het gemaakte verschil nodig is om de verschillen uit het verleden weg te werken.

  • vanaf 2025
    Er mag geen verschil in behandeling meer zijn dat berust op een onderscheid tussen arbeiders en bedienden.

Niet afwachten

Het feit dat er een overgangsperiode ingelast wordt, betekent niet dat alle bedrijven en sectoren gewoon passief mogen blijven tot 2025.

  • Paritaire comité’s en subcomité’s moeten onderhandelingen opstarten om protocolakkoorden af te sluiten. Die akkoorden dienen om het verschil in behandeling weg te werken. Daarnaast is er in een concreet opvolgingstraject voorzien, waarbij de paritaire comité’s en subcomité’s om de twee jaar een verslag moeten opstellen en overmaken aan de Nationale Arbeidsraad. Die Raad evalueert deze verslagen en brieft vervolgens de minister van Pensioenen en de minister van Werkgelegenheid.
  • Ook bedrijven moeten zich inschrijven in een harmonisatietraject. De onderneming kan wel zelf vrij het traject kiezen. Om aan te tonen dat het bedrijf zo’n traject volgt, kan het bijvoorbeeld
    • zeggen dat info opgevraagd werd bij de pensioeninstellingen die de pensioenplannen beheren;
    • stellen dat bijkomende info gevraagd werd aan gespecialiseerde consultants;
    • een schema uitwerken met verschillende opties;
  • Twitter
  • LinkedIn
  • Facebook

, , , , ,