Neen, helemaal niet. Via pensioensparen bouwt u zelf een aanvullend pensioen op met eigen stortingen. Bij een groepsverzekering wordt er ook in een aanvullend pensioen voor u voorzien, maar wordt de premie door uw werkgever betaald, al dan niet aangevuld met een bijdrage van uzelf.
[box type="tick"]Pensioensparen[/box]
Pensioensparen maakt deel uit van de zgn. derde pensioenpijler en is een individueel gegeven. U sluit zelf een contract bij een verzekeraar of bank voor respectievelijk een pensioenspaarverzekering of -rekening. U betaalt de premies zelf en geniet ook fiscaal voordeel.
[box type="tick"]Groepsverzekering[/box]
Een groepsverzekering hoort tot de tweede pensioenpijler. De verzekeringnemer van een groepsverzekering is uw werkgever. Die sluit voor (een categorie van) zijn werknemers een collectieve verzekering. Die polis voorziet in de opbouw van een aanvullend pensioen, maar kan ook een overlijdens- of invaliditeitsdekking bevatten. De premies worden betaald door de werkgever, al kan het ook zijn dat u zelf als werknemer een stuk van de premie moet dragen. De bijdrage die u als werknemer zelf betaalt, levert u fiscaal voordeel op.
Stel, u hebt een pensioenspaarverzekering onderschreven bij een verzekeraar. Maar een andere verzekeraar biedt u een hoger gegarandeerd rendement. Kunt u overstappen naar de andere maatschappij en eventueel uw opgebouwd kapitaal meenemen? En wat als u wil overstappen naar een pensioenrekening bij een bank?
[box type="tick"]Van verzekeraar naar verzekeraar[/box]
U kunt sowieso vanaf het volgende jaar nieuwe premies storten in een contract bij een andere verzekeraar en uw premiebetaling bij uw huidige verzekeraar stopzetten. U hebt dan de keuze: u laat uw opgebouwde reserve in het contract bij de eerste verzekeraar gewoon staan of u draagt deze reserve over.
[box type="tick"]Van bank naar bank[/box]
Dit kan perfect en verloopt op analoge wijze met de switch van de ene verzekeraar naar de andere.
[box type="tick"]Van verzekeraar naar bank of omgekeerd?[/box]
U kunt wel beslissen om vanaf volgend jaar niet langer te storten in een pensioenspaarverzekering, maar wel in een pensioenspaarrekening bij een bank. De reserves overdragen tussen verzekeraar en bank is niet mogelijk.
[box type="tick"]Bijkomende voorwaarden[/box]
Wanneer u overstapt van de ene verzekeraar of bank naar de andere, dan moet u wel rekening houden met de volgende voorwaarden:
Absoluut. Maar u moet wel een onderscheid maken tussen het scenario waarin u al vele jaren een pensioenspaarverzekering heeft en na uw 60ste verder wil blijven storten enerzijds, en het scenario waarin u pas na uw 60ste met pensioensparen wil beginnen.
[box type="tick"]Verder storten na uw 60ste[/box]
Wanneer u een pensioenspaarcontract heeft, dan wordt er op uw 60ste een anticipatieve heffing doorgevoerd. Dat is een ‘eindbelasting‘. De berekening daarvan verschilt naargelang het om een pensioenspaarverzekering of -rekening gaat. Feit is dat deze heffing bevrijdend is, met andere woorden er volgen nadien geen belastingen meer op het kapitaal. En dat opent perspectieven. Want dit betekent dat uw op de stortingen die u na uw 60ste doet nog wel fiscaal voordeel boekt, maar geen belastingen meer betaalt op het kapitaal dat ze opleveren. Dubbel winst dus!
[box type="tick"]Na uw 60ste beginnen?[/box]
Ja, dat kan, maar er zitten toch enkele addertjes onder het gras.
Een pensioenspaarcontract moet minstens 10 jaar lopen. Als u pas intekent op uw 61ste, loopt u contract dus tot uw 71ste. U kunt slechts fiscaal voordelige premies storten tot en met het jaar waarin u 65 wordt. In het geval waarin u pas op uw 61ste met pensioensparen begint, kunt u dus maximaal 4 fiscaal voordelige stortingen doen. Maar u moet, om fiscaal voordeel te krijgen, wel minstens vijf stortingen doen. U zal dus nog een storting moeten doen die u geen fiscaal voordeel oplevert.
De eindbelasting volgt pas op uw 71ste. Als u het geld opvraagt binnen de vijf jaar vóór de datum waarop uw contract normaliter, dan betaalt u 33% belasting (+ gemeentebelasting).
Zoals u wellicht weet, zorgt de vergrijzing van de bevolking voor extra druk op ons pensioenstelsel. U doet er dan ook goed aan om zelf voor een aanvullend pensioen te zorgen, bovenop uw wettelijk pensioen. Daarvoor beschikt u over verschillende mogelijkheden (zelf sparen, een groepsverzekering of pensioenfonds via uw werkgever, investeren in vastgoed …), waarvan pensioensparen zonder twijfel de bekendste is.
Pensioensparen kunt u op twee manieren doen: via een pensioenspaarverzekering of via een pensioenspaarrekening. Op fiscaal vlak leveren beide een voordeel op tot een maximumpremie van € 910 per jaar (in 2012). Voor het jaar 2013 zal de fiscaal voordelige maximumpremie wellicht € 940 bedragen, maar dit cijfer moet nog bevestigd worden.
[box type="tick"]Berekening[/box]
Hoe wordt dit fiscale voordeel exact berekend? Heel eenvoudig. Uw fiscaal voordeel bedraagt 30% van de gestorte premie. Vroeger was dat tussen 30 en 40%, maar voortaan is dit forfaitair 30%. Een voorbeeld: u stort in 2012 € 910 in uw pensioenspaarverzekering. In dat geval bedraagt uw fiscaal voordeel 30% x € 910 = € 273. Met andere woorden, u recupereert meteen ongeveer een derde van uw gestorte premie langs fiscale weg.
[box type="tick"]Voorwaarden[/box]
Opdat een pensioenspaarcontract fiscaal voordeel oplevert, moeten weliswaar een aantal voorwaarden vervuld zijn:
[box type="tick"]Aangifte[/box]
U dient het gestorte bedrag in uw aangifte op te nemen in code 1361-94 of code 2361-64. Voorts moet u het attest nr. 281.60 van de financiële instelling ter beschikking houden van de fiscale administratie.
Levensverzekeringen en pensioensparen kunnen verschillende vormen aannemen: met een gewaarborgd rendement (tak 21), met een rendement dat afhangt van onderliggende beleggingsfondsen (tak 23), of zelfs zgn. tak 26-kapitalisatieproducten. Maar hoe zit het met het fiscale voordeel in dit kader?
[box type="tick"]Tak 21[/box]
U kunt de premies voor uw individuele tak 21-levensverzekering fiscaal inbrengen, tot een plafond van €2.200 (inkomstenjaar 2012). Dit levert u een fiscaal voordeel op van 30% (+ gemeentebelasting) van de premie. De premie die u maximaal fiscaal voordelig kunt storten hangt wel af van uw belastbaar beroepsinkomen, dit in tegenstelling tot bij pensioensparen. Hou er ook rekening mee dat, als u al een woonkrediet lopen heeft, er mogelijk geen fiscale ruimte meer over is om fiscaal voordelig in een levensverzekering te investeren.
[box type="tick"]Tak 23[/box]
De premies voor een tak 23-product zijn niet fiscaal aftrekbaar, tenzij het gaat om een pensioenspaarverzekering (zie verder).
[box type="tick"]Tak 26[/box]
Een tak 26-product is in feite een kapitalisatieproduct. De premies zijn voor u als particulier niet fiscaal aftrekbaar.
[box type="tick"]Pensioensparen[/box]
Pensioensparen kunt u fiscaal voordelig doen in zowel tak 21 als tak 23. De maximale premie bedraagt 910 euro per jaar. Dit maximum staat los van uw beroepsinkomen en wordt ook niet samengeteld met uw woonkrediet.
Wie jong is heeft andere zaken aan zijn hoofd dan pensioen en pensioensparen! Pensioensparen is immers iets voor oudere mensen! Of toch niet?
[box type="tick"]Zo vroeg mogelijk![/box]
Wat volgt zal voor veel jongeren als overtollige raad in de oren klinken. In vele jaren zullen ze er misschien aan terugdenken: “Had ik toen maar…” Het is niet onze bedoeling te zeggen dat iedereen vanaf de eerste dag dat hij geld verdient, aan pensioensparen moet beginnen. Op dat ogenblik is het pensioen nog zo ver en richt men zijn aandacht naar andere prioriteiten: een wagen, een woning, … We hebben trouwens gezien dat bepaalde vormen van sparen zelfs niet in alle situaties geschikt zijn, zoals langetermijnsparen terwijl men nog een hypotheek terugbetaalt. Onze raad zal dus genuanceerd zijn: begin er “zo vroeg mogelijk” aan. Reglementair moet men wel 18 jaar oud zijn.
Vroeg beginnen heeft een dubbele positief effect: niet alleen zal de gespaarde som veel interessanter zijn, omdat men er vroeg aan begonnen is, ook zal de interest veel groter zijn, omdat het geld over een veel langere periode opbrengt! Dus een dubbele winst.
We hebben al gezien dat jonge mensen best opteren voor een dynamisch pensioenspaarfonds, omdat eventuele verliezen over een langere periode goedgemaakt kunnen worden. Maar dit zijn precies de spaarfondsen die het grootste rendement hebben, die het meeste opbrengen!
Ook denkt men soms: ik zal later wel (meer) sparen, omdat ik dan meer zal verdienen. Twintig jaar geleden was dit misschien nog een geldige redenering. Nu worden oudere werknemers echter door veel ondernemingen juist als te duur beschouwd. Wie kan dan nog met zekerheid verklaren dat hij tussen 50 en 60 jaar meer zal verdienen dan tussen 30 en 40?
[box type="tick"]Maar (bijna) nooit te laat![/box]
Wie er op rijpere leeftijd nog niet aan begonnen is, moet zich rekenschap geven van het feit dat het (bijna) nooit te laat is. Zelfs wanneer men 55 jaar is, is het nog niet te laat. Wie over een kleiner aanvullend pensioen beschikt omdat hij laat met pensioensparen begonnen is, zal er altijd beter voor staan dan iemand die het slechts moet stellen met het wettelijke pensioen! Vanwege de beperkte tijdshorizon zal het bedrag dat nog opgespaard kan worden, wel niet te vergelijken zijn met dat van iemand die op 25-jarige leeftijd al met pensioensparen is begonnen. De leeftijdsgrens voor pensioensparen is 64 jaar, maar hoe later men ermee begint, hoe later men er ook van zal kunnen genieten. Vergeet bovendien niet dat een voortijdige vereffening nooit interessant is.
[box type="tick"]Een laatste kans[/box]
Wie er laat aan begint, heeft toch nog één mogelijkheid om zijn “achterstand goed te maken”. Normaal kan men het geld van zijn pensioensparen opvragen vanaf zijn zestigste. Dan wordt ook 10% belasting afgehouden. Dit betekent niet dat u er op die leeftijd mee moet ophouden. Integendeel, tussen 60 en 64 verder aan pensioensparen doen is zelfs dubbel interessant. Op de premies die u dan stort, krijgt u nog altijd een fiscale korting, maar op dat kapitaal zult u die 10% belasting niet meer moeten betalen. Zoals in een wedstrijd, kan deze “eindspurt” u nog een zeker aantal “plaatsen doen winnen”.
Elke situatie is – zoals elk leven – verschillend. Toch is de raad “begin er zo vroeg mogelijk aan” voor iedereen geldig. Al bestaan er middelen om de situatie enigszins goed te maken, niets is veiliger dan vroeg met pensioensparen te beginnen.
Veel mensen zullen zich deze vraag reeds gesteld hebben. Het kan gebeuren dat men door een “ongeluk van het leven” plots voor onverwachte kosten komt te staan en dat men geld nodig heeft, dat men niet bezit. Of dat men eigenlijk wel bezit, maar waarover men niet beschikt, omdat men het in pensioensparen gestopt heeft. De verleiding kan op dat ogenblik groot zijn om het geld van zijn pensioensparen op te nemen. Kan dit, en is het ook wenselijk?
[box type="tick"]Mogelijk, maar af te raden[/box]
Het antwoord is duidelijk: ja, het kan; neen, het is niet wenselijk!
Geld van het pensioensparen is eigenlijk bestemd om opgenomen te worden op het ogenblik dat men met pensioen gaat. Dit is zo voorzien en de fiscaliteit is er ook op gericht. In principe mag men het bedrag dat men via pensioensparen opzijlegt, niet opnemen vóór men met pensioen gaat. Als men het toch doet, dan is dit altijd nadelig. Niet alleen zal het geld niets meer opbrengen, veel erger: het wordt fiscaal onderworpen aan een boetetarief.
[box type="tick"]Drie mogelijkheden[/box]
Wanneer men met pensioensparen begint, wordt de vervaldag ervan op de vijfenzestigste verjaardag vastgelegd. Toch kan men zijn kapitaal vroeger opvragen. We moeten hier drie situaties onderscheiden. Eerste geval: de spaarder is ouder dan 60 jaar en is met zijn pensioensparen begonnen vóór zijn vijfenvijftigste. We hebben gezien dat op dit kapitaal een voordelig belastingtarief van 10 % wordt afgehouden wanneer men 60 jaar oud wordt. Vraagt men zijn kapitaal na deze leeftijd, dan is deze belasting al afgehouden en zal hierop geen bijkomende belasting betaald moeten worden. Het enige nadeel is dat men tussen 60 en 64 jaar geen stortingen meer uitvoert, waarop men een belastingkorting kan krijgen.
De tweede mogelijkheid is: de spaarder is ouder dan 60 jaar en is met zijn pensioensparen begonnen na 55 jaar. Vermits het pensioensparen minstens 10 jaar moet duren, heeft hij op 60 jaar die 10% nog niet moeten betalen. Die belasting van 10% wordt dan afgetrokken van het kapitaal dat men opvraagt op het ogenblik dat men dit doet.
Derde mogelijkheid: de spaarder vraagt zijn kapitaal op vóór de leeftijd van 60 jaar. In dat geval zal hij geen 10, maar 33 % betalen op het opgevraagde kapitaal. Deze 33 % gelden voor alle stortingen gedaan na 1 januari 1992 en er is een marginaal tarief voorzien voor de stortingen vóór die datum. Dit is eigenlijk een “inhaalbeweging” op de belastingkorting die hij vroeger genoten heeft. Het is dus helemaal niet aan te raden om voor de zestigste leeftijd zijn kapitaal op te vragen. Kan het echt niet anders, dan moet men ervoor zorgen dat men een zo klein mogelijke som opvraagt, om het boetetarief van 33% zo goed mogelijk te ontlopen. Opgelet: bij brugpensionering gelden bijzondere regels om de spaarder in zulk een situatie niet te zwaar te beboeten.
Besluit: het is in elk geval voordeliger om tot zijn 65ste te blijven sparen voor zijn pensioensparen, en slechts daarna zijn kapitaal op te nemen.
We zagen dat alle vormen van pensioensparen van de derde pijler van het pensioenstelsel interessante fiscale voordelen verlenen. Dit fiscaal voordeel is immers het gemeenschappelijke kenmerk van deze pijler. Het is natuurlijk belangrijk te weten hoeveel men mag vermelden op zijn belastingaangifte.
[box type="tick"]Tot maximum 2.200 EUR[/box]
Zoals voor de andere bedragen worden de maximumbedragen in het kader van het langetermijnsparen elk jaar geïndexeerd. Het fiscale voordeel bedraagt voor het aanslagjaar 2013 (inkomstenjaar 2012) tot 30 % van de premies die u stort. We noteren hier wel een belangrijke verandering ten opzichte van de vorige jaren, waar dit ging van 30 tot 40 %. Het wordt dus minder interessant voor de mensen die meer konden aftrekken. Niettemin is en blijft het voor iedereen interessant.
In 2012 kunt u, in functie van uw inkomsten, tot maximum 2.200 EUR storten. Opgelet: niets belet u om meer te storten. Alleen zult u op het overtollige bedrag geen belastingvermindering krijgen. Het gaat hier om het aanslagjaar 2013, dus om uw belastingaangifte van eind juni 2013. Datzelfde jaar – of, als het minder meevalt, in het begin van het volgende jaar- krijgt u tot 660 EUR terugbetaald, of moet u tot 660 EUR minder belastingen betalen. Dit geldt voor de premies betaald in 2012 binnen zowel bestaande als nieuwe contracten. Het precieze belastingvoordeel hangt af van uw inkomen: in 2012 mag u 164,70 EUR + 6% van uw netto belastbaar inkomen van de belastingen aftrekken in het kader van langetermijnsparen, met een maximum van 2.200 EUR.
[box type="tick"]Ter herinnering: drie belangrijke punten[/box]
Al is het maximumpercentage van de belastingaftrek met een kwart gedaald, het langetermijnsparen blijft een veilige en fiscaal interessante spaarvorm.
Net zoals pensioenspaarfondsen en pensioenspaarverzekeringen maakt het langetermijnsparen deel uit van de derde pijler van ons pensioenstelsel. Ook aan deze vorm van sparen zijn interessante fiscale voordelen verbonden. Dankzij het langetermijnsparen kan men nog meer pensioenreserves opbouwen. Het langetermijnsparen is precies bedoeld als een aanvulling op de andere vormen van pensioensparen.
[box type="tick"]Voor wie?[/box]
Het langetermijnsparen is een middel om in bepaalde situaties enkele belastingvoordelen te genieten. Het is dus niet voor iedereen even interessant. Het langetermijnsparen richt zich vooral tot mensen die veilig willen sparen voor een aanvullend pensioen, die al (via een pensioenspaarfonds of een pensioenspaarverzekering) aan pensioensparen doen en die reeds eigenaar zijn van hun woning (en die dus de aftrek in verband met deze afbetaling niet meer kunnen aangeven). Waarom? Omdat de rubriek van de belastingaangifte waar u langetermijnsparen moet invullen, ook dient voor de aftrek van de kapitaalsaflossingen van een woningkrediet. Wie een hypothecair krediet heeft, heeft zijn “fiscale korf” hiermee al opgevuld. Daarom kan hij geen langetermijnsparen meer aftrekken. Met andere woorden, als men geen hypotheek meer heeft lopen, kan men dankzij langetermijnsparen de vrijgekomen fiscale ruimte opvullen en maximaal fiscaal voordeel blijven genieten.
[box type="tick"]Hoe?[/box]
Langetermijnsparen is eigenlijk hetzelfde als de klassieke individuele levensverzekering. Het biedt een grote zekerheid, omdat elke gestorte premie gewaarborgd is. Daarnaast geniet u een gewaarborgde vaste rentevoet op alle premies die u gedurende het contract stort. Daardoor weet u juist hoeveel u aan het einde van het contract gespaard hebt. Daarnaast kan er ook een deling in de winst zijn. Deze winstdeling is niet gewaarborgd en hangt af van de resultaten van de onderneming. Een ander voordeel is de grote flexibiliteit: men kan zelf bepalen hoeveel men stort, en wanneer. Maar het grootste voordeel is natuurlijk van fiscale aard. We komen hier later op terug.
[box type="tick"]Voorwaarden voor de fiscale aftrek[/box]
Er zijn wel een aantal voorwaarden voor deze fiscale aftrek:
Het is ook belangrijk te weten wat het maximum is voor het langetermijnsparen in 2012. We komen hierop terug.
Nu wij twee aspecten van de derde pijler van ons pensioenstelsel nauwkeurig onderzocht hebben, namelijk het pensioensparen in een pensioenspaarverzekering en het pensioensparen in een pensioenspaarfonds, is het eveneens noodzakelijk de risico’s bij het pensioensparen te bekijken.
[box type="tick"]Met gerust gemoed[/box]
Laten we het onmiddellijk stellen: geen enkele financiële activiteit is totaal risicoloos, maar we kunnen toch gerust verklaren dat het pensioensparen één van de minst gewaagde beleggingen is. En dit is te danken aan het karakter zelf van het pensioensparen: het gaat hier niet om het beleggen van “overtollig” geld waaruit men veel rendement wenst te halen, maar wel om het geld waarmee men op latere leeftijd zal moeten leven! Toch zijn aan bepaalde vormen van pensioensparen meer risico’s verbonden dan aan anderen.
[box type="tick"]Pensioenspaarverzekering = veiligheid[/box]
De veiligste vorm van pensioensparen is vanzelfsprekend de pensioenspaarverzekering. Niet alleen heeft men hier een jaarlijks minimaal gewaarborgd rendement (rond de 2,5%), er is ook een kapitaalsgarantie. Buiten een grote financiële ramp – en dan nog – heeft men weinig te vrezen. Pensioenspaarverzekeringen worden op verschillende niveaus streng in de gaten gehouden in het kader van het verzekeringswezen. Dit gebeurt door de FSMA (Financial Services and Markets Authority) of Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, de opvolger van de CBFA, de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. Zo wordt de rendabiliteit van de verzekeraars nauwlettend in de gaten gehouden, onder meer door een alarmprocedure. Verzekeraars moeten ook wettelijk voorziene reserves aanleggen, die alle toekomstige uitkeringen volledig moeten dekken. Daarenboven moeten verzekeraars beantwoorden aan strenge Belgische en Europese voorwaarden inzake de solvabiliteitsmarge. Hierdoor mag men dit zeker als behoorlijk veilig beschouwen. De prijs voor deze zekerheid is echter dat het rendement – vergeleken met dat van bepaalde pensioenspaarfondsen – tamelijk teleurstellend is, zeker wanneer er inflatie is.
[box type="tick"]Pensioenspaarfonds: iets minder veilig[/box]
Hoe zit het nu met het risico gebonden aan pensioenspaarfondsen? Pensioenspaarfondsen, in feite beleggingsfondsen waarin men investeert, zijn per definitie gewaagder dan pensioenspaarverzekeringen. Zo’n fonds investeert in aandelen en obligaties en is bijgevolg afhankelijk van de schommelingen op de beurs. Maar ook hier bestaan er verschillende soorten. Wie minder risico wenst te lopen, maar toch geneigd is om te opteren voor een pensioenspaarfonds, kan altijd kiezen voor defensieve pensioenspaarfondsen, waarbij de beleggingen misschien minder renderen, maar veiliger zijn. Aan het andere uiteinde zijn er dan dynamische pensioenspaarfondsen, waarbij het risico hoger ligt. Deze zijn per definitie eerder voorbehouden voor jonge pensioenspaarders, die nog ver van de pensioenleeftijd zijn, en die dus over meer tijd beschikken om eventuele verliezen goed te maken. Het is altijd mogelijk om de samenstelling van het pensioenspaarfonds aan te passen aan het beleggersprofiel van de spaarder.
We kunnen dus rustig verklaren dat wie enigszins veilig speelt, niet veel te vrezen heeft voor het geld dat hij of zij voor zijn/haar pensioen weggelegd heeft.