Een lage inflatie zorgt ervoor dat er aan onze koopkracht bijna niet geknaagd wordt. Maar uitgeven is niet het enige wat we met geld kunnen doen! Een grootschalige enquête heeft trouwens onlangs bevestigd dat het cliché dat de Belg een grote spaarder is, grotendeels klopt. Toch heeft de schuldencrisis het spaargeld van de meeste Europeanen flink aangetast. Er staat bijgevolg minder geld op de spaarboekjes, nochtans blijft de rente laag. Hoe kan dit, vermits, normaal gezien, wat niet in overvloed aanwezig is (in casu, spaargeld), aan waarde wint? Hoe zit het nu met het verband tussen inflatie en rente? Is er wel een relatie?
Een rechtstreeks en een onrechtstreeks verband
Door de crisis vertraagt de economie, dat weten we. In crisistijd is er geen grote vraag naar goederen, dus zal de inflatie, zoals nu, laag liggen. In crisistijd is het ook gevaarlijk om te ondernemen. Om de economie aan te wakkeren, wil men het geld, dat nodig is om te ondernemen, goedkoper maken. Daarom heeft de Europese Centrale Bank de rente op een historisch laagtepunt (0,5 %) geplaatst. En dit heeft een grote invloed op de rente die door de andere banken gegeven wordt. Daardoor is het nu interessant om geld te lenen. Maar niet om geld opzij te leggen, vermits het weinig opbrengt.
Een ongewone situatie
De daling - door de crisis - van het aanwezige volume aan spaargeld zou normaal tot gevolg moeten hebben dat de rente stijgt. Voor onze beleidsmensen is het allerbelangrijkste echter de inflatie te beteugelen, ervoor te zorgen dat er geen te grote inflatie komt, omdat dit catastrofaal zou kunnen zijn voor een mogelijk herstel van de economie. Zij willen de economie draaiende houden. Een lage rente lijkt het beste middel tegen zulk een grote inflatie. Normaal zorgt een lage inflatie er ook voor, dat er meer spaargeld vrijkomt. En als er meer spaargeld voorhanden is, is het ook normaal dat dit op de rente drukt. Dit alles verklaart waarom wij nu een lage rente hebben.
Wat nu?
De situatie is natuurlijk niet eenvoudig voor wie geld wenst te plaatsen. Het spaarboekje is op het ogenblik absoluut niet interessant. We zitten zelfs in een situatie waarbij de (lage) inflatie toch hoger ligt dan de (nog lagere) rente. Vermits het geld dus minder opbrengt dan de inflatie, verliest men op zijn spaargeld.
Nochtans kunnen sommigen van deze situatie gebruik maken om er baat uit te halen: zo kan het interessant zijn om een lening vroegtijdig terug te betalen of een hypothecaire lening te herfinancieren. Er bestaan natuurlijk ook andere manieren om zijn geld te plaatsen, buiten het spaarboekje. Dit zou ons echter te ver leiden.
De Europese economie verkeert dus op het ogenblik niet helemaal in een gewone situatie. Het is echter van belang dat de inflatie in toom gehouden wordt. Blijkbaar slaagt men hierin, wat toch hoopgevend is.
Wij zagen wat inflatie is en welke de recente evolutie ervan is, zowel in Europa als in ons land. Nu blijft de vraag: is inflatie goed of slecht voor de koopkracht en voor de economie? Het is niet zo gemakkelijk hierop een eenvoudig antwoord te geven, en we moeten genuanceerd zijn.
Een lage inflatie: goed voor de koopkracht?
Als we ons baseren op de definitie, dan lijkt het antwoord niet moeilijk. Indien de inflatie daalt en laag blijft, dan is dit in eerste instantie zeker niet slecht voor onze koopkracht. Het geld heeft dan inderdaad relatief meer waarde (ten opzichte van de diensten en producten), zodat we met hetzelfde geld meer kunnen kopen. Of in elk geval, met dezelfde inkomens daalt onze koopkracht niet. Het is eigenlijk niet bij een lage inflatie (de prijzen stijgen, maar langzaam), wel bij deflatie (de prijzen dalen) dat de koopkracht effectief stijgt. Op deflatie moeten wij echter ook niet hopen, zoals wij later gaan zien.
Zo eenvoudig is het echter niet. Als het geld meer waard is, blijft natuurlijk de vraag wat de mensen ermee gaan doen. Dat kan ervan afhangen hoe ze de toekomst zien. Gaan ze het besteden om nu te kopen (later kan hetzelfde goed inderdaad duurder kosten), dan gaat de vraag stijgen. En als de vraag stijgt (ten opzichte van het aanbod), gaan ook de prijzen stijgen. En dat veroorzaakt juist inflatie!
Er is echter nog een andere mogelijkheid: de mensen geven het geld niet uit en sparen. Als dit op grote schaal gebeurt, zal het gespaarde geld niet veel opbrengen! En we weten dat de Belgen graag sparen. Toch zijn er in zulke situatie andere interessante zaken die men met zijn geld kan doen, zoals bijvoorbeeld een lening vroegtijdig terugbetalen of een hypothecaire lening herfinancieren. We moeten ook rekening houden met het – bijna uniek- systeem van de loonindexering bij ons. Als de prijzen stijgen, dan wordt deze stijging opgevangen door een automatische verhoging van de lonen, … wat een stijging van de prijzen meebrengt.
Een te lage inflatie: slecht voor de economie?
Zoals we zagen, zijn de verschillende parameters met elkaar verbonden. Een lage inflatie is op zich niet schadelijk voor de economie, wel integendeel. Een te lage inflatie (of een deflatie) kan wel een symptoom zijn dat de economie niet goed draait. En deflatie kan wel gevaarlijk zijn voor de economie: deflatie is geldvermindering, in verhouding tot de hoeveelheid goederen. Deflatie kan tot gevolg hebben dat de mensen op grote schaal hun uitkopen gaan uitstellen, omdat zij dan denken dat zij later voor hetzelfde geld meer zullen krijgen. Wat gaan de producenten in die situatie doen? Hun prijzen verlagen, om toch te kunnen verkopen. Zo kan een negatieve spiraal ontstaan, en indien die op grote schaal plaatsheeft, kan de economie stilvallen, met alle gevolgen van dien. De bedrijven zullen dan ook mensen moeten ontslaan. En wie geen werk heeft, zal minder uitgeven. Zo gaat de spiraal verder. Dit kan leiden tot recessie, of zelfs tot een economische ineenstorting. Eerlijkheidshalve moet hier wel aan toegevoegd worden dat niet alle economisten het hierover eens zijn.
Meestal zal men toch proberen om deflatie te vermijden. De centrale banken die het monetair beleid voeren, zullen streven naar het handhaven van een lage inflatie.
Dit is de situatie die we op het ogenblik kennen. Op zich is deze situatie dus niet ongunstig, maar daarmee we zijn nog niet uit de crisis…
Wij vonden het interessant eens een oogje te werpen op een fenomeen dat een grote rol speelt in de economie: de inflatie. Niet dat wij op het ogenblik hieronder bijzonder te lijden hebben, wel integendeel. Maar ook het uitblijven van inflatie is veelzeggend en belangrijk.
Het is allemaal een kwestie van vraag en aanbod: als de vraag naar “iets” het aanbod overtreft, wordt dat “iets” kostbaarder. Wanneer het aanbod de vraag overtreft, dan verliest dat “iets”aan waarde. En dat “iets” kan zowel geld als goederen zijn. Zuivere logica.
Wat?
De inflatie is eigenlijk de geldontwaarding, de waardevermindering van het geld. En wanneer vermindert de waarde van het geld ? Wanneer de hoeveelheid eraan toeneemt. Dit is de monetaire inflatie. Deze inflatie is dus het gevolg van een overaanbod aan geld.
In de meeste gevallen heeft men het vandaag eerder over een prijsinflatie, dit wil zeggen, een stijging van de prijzen van de goederen. Deze prijsstijging heeft tot gevolg dat men met hetzelfde geld minder goederen of diensten kan kopen. Bijgevolg daalt de koopkracht.
Meestal wordt inflatie met argusogen bekeken, maar een beperkte inflatie (niet hoger dan 2 %) is meestal niet schadelijk voor de economie.
Soorten
Er bestaan verschillende soorten inflatie, want de oorzaken van deze prijsstijgingen kunnen variëren. De bestedingsinflatie komt er, als de mensen veel geld wensen uit te geven. Er is dan een grote vraag naar goederen, maar het aanbod volgt moeilijk. Deze goederen worden schaarser, dus duurder.
De prijzen kunnen echter ook stijgen omdat de productiekosten voor de bedrijven stijgen. Het aanmaken van de goederen kost meer, bijvoorbeeld omdat de grondstoffen duurder worden. Bijgevolg moeten de bedrijven meer uitgeven om hetzelfde te produceren : om een gelijke winst te bewaren, moeten zij de producten aan een hogere prijs verkopen. Dit is de kosteninflatie. Een type productiekost is de loonkost. Ons land verkeert in een bijzondere situatie, omdat de index de loonkosten zal doen stijgen, met als rechtstreeks gevolg … dat ook de prijzen omhoog zullen gaan ! Maar de index verhoogt juist … wanneer de prijzen stijgen. Een echt vicieuze cirkel: in rationelere termen spreekt men van een wederzijdse beïnvloeding.
We leven echter in Europa en in een gemondialiseerde wereld, niet op een eiland. Daarom kan ons land ook gemakkelijk het slachtoffer worden van geïmporteerde inflatie. De prijsstijgingen in ons land worden dan veroorzaakt door de stijging van de prijzen van de producten die we importeren. En wij importeren veel, zoals wij ook veel exporteren.
Goed of slecht?
Terwijl een lage inflatie niet slecht is voor de economie, kan een hoge inflatie wel rampzalig zijn. Er bestaan verschillende scholen met verschillende oplossingen voor de beteugeling van de inflatie. Sommigen dringen aan op een regulering van de geldhoeveelheid. Inflatie is ook in verband te brengen met rente. De inflatie is nu laag, en ook de rente ligt laag. Het is nu interessant om geld te lenen, maar aan de andere kant brengt het geld natuurlijk weinig op. En wanneer het geld minder opbrengt dan de inflatie, verliest men zelfs geld.
Inflatie … Het woord komt bijna dagelijks in de media, en toch weten veel Belgen nauwelijks waar het om gaat. Meer nog, veel mensen zijn zich niet bewust van de impact van inflatie op hun spaarcenten. We proberen een en ander op een rijtje te zetten.
Hoewel de economische term ‘inflatie’ meerdere betekenissen heeft, wordt ‘inflatie’ vaak gelijkgesteld met ‘prijsinflatie’. Concreet en ietwat vereenvoudigd komt inflatie dan neer op een stijging van het prijspeil. Dat betekent bijvoorbeeld dat u vandaag met € 1.000 meer kunt kopen dan u over 10 jaar met diezelfde € 1.000 zult kunnen doen. Omdat nu eenmaal alles duurder wordt met de jaren …
Uw spaarcenten brengen doorgaans een bepaalde rente op. De voorbije jaren is de gemiddelde rente op een spaarrekening evenwel systematisch gedaald, zodat zelfs een rente van 2% vandaag de dag op een gewone spaarrekening meestal niet gehaald wordt. En dan wordt het even uitkijken. In 2012 bedroeg de inflatie in ons land immers 2,85%. Wanneer u op uw spaarrekening een rente genoot van 1,5%, dan verliest u dus geld! En dat terwijl u net hoopte om met uw intresten wat extra te krijgen …
Het voorbeeld dat we gaven, had betrekking op een spaarrekening. U hoeft natuurlijk niet al uw spaargeld op een spaarrekening te parkeren. U kunt ook kiezen voor andere oplossingen: termijnrekeningen, verzekeringsproducten met een vaste rente, beleggingsoplossingen met een rente die afhangt van onderliggende activa … Dat laatste kan bijvoorbeeld een tak 23-verzekering zijn, waarbij het rendement afhankelijk is van de resultaten van één of meerdere onderliggende fondsen. U hebt dus kans op een hoger rendement dan op een spaarrekening, maar moet in ruil daarvoor wel een zeker risico incalculeren. U moet dan uiteraard kiezen voor een oplossing die bij uw beleggingsprofiel past: bent u een voorzichtig type, dan opteert u best voor een oplossing met een beperkt risico. Hebt u hoge rendementsverwachtingen en hebt u geen schrik om meer risico te nemen, dan kunt u wat verder gaan.
Hoe dan ook blijft spreiding of diversificatie het beste leidmotief. Als u enkel inzet op spaarrekeningen, dan verliest u geld. Investeert u een gedeelte in spaarrekeningen of vastrentende beleggingen, en een ander deel in tak 23-polissen of beleggingsfondsen, dan kunt u de inflatie wel kloppen en een bepaald rendement boeken. Uw verzekeringsmakelaar kan u perfect de mogelijkheden schetsen en u een voorstel op maat aanbieden.
Back to Basics: wat is een obligatie?
Een obligatie is eigenlijk een schuldbewijs. De uitgever is op zoek naar geld, geeft beleggers een stuk papier (nu uiteraard elektronisch) waarop hij belooft het bedrag dat ze investeren op een bepaalde datum terug te betalen. In ruil voor het risico dat hij het geld niet (tijdig) terugziet, krijgt de investeerder een rente. De kredietwaardigheid van de uitgever kan uitgedrukt worden met een rating door bureaus als Moody’s of Standard & Poor’s. Hoe hoger het risico, hoe hoger de rente en des te lager de rating.
Als Duitsland dus geld wil ophalen om zijn begroting in evenwicht te houden, kan het, dankzij zijn uitstekende rating, bijvoorbeeld een obligatielening over tien jaar uitgeven aan een rentevoet van minder dan twee procent. Wil Jean-Pierre Van Rossem daarentegen een nieuwe technologiestartup financieren, dan kan zijn jaarlijkse rente rap tot tien procent oplopen.
In principe worden obligaties dus voor een bepaalde termijn uitgegeven. Op de vervaldag krijgt de investeerder dan zijn kapitaal terug. Wie zijn obligaties bij de uitgifte of op de “primaire markt” heeft aangekocht, zal zijn oorspronkelijke inleg terugkrijgen, eventueel aangepast aan de inflatie (index-obligaties). Koop je de obligaties van een eerdere koper (dus op de secundaire markt), dan betaal je de marktprijs voor die obligatie op dat moment. Die prijs kan, afhankelijk van de algemene economische situatie en vooral van de kredietwaardigheid van de uitgever, hoger of lager liggen dan de oorspronkelijke waarde. Zo zal je voor een Griekse staatsbon van het jaar 2005 nu een pak minder betalen.
Verschil tussen obligaties en aandelen
Als aandeelhouder ben je (mede-)eigenaar van een bedrijf. Dat betekent dat je een stemrecht hebt op de algemene vergadering en dus mee mag beslissen wie bestuurder wordt, of het bedrijf zijn kapitaal moet verhogen, enz… Maar je financiële lot is ook sterk verbonden met het wel en wee van het bedrijf. Bij sterke winstcijfers kan je meestal rekenen op een dividend, maar als het bedrijf failliet gaat, ben je de laatste om iets te ontvangen.
In dat geval worden namelijk eerst alle schuldeisers betaald. Als obligatiehouder val je in die categorie. Het bedrijf had beloofd je een bedrag uit te betalen, en het is pas als het die verplichtingen heeft nagekomen, dat het wat overblijft aan de aandeelhouders zal uitkeren. En dat zijn vaak kruimels.
Daarnaast is de koers van je obligatie op de secundaire markt een stuk minder volatiel. Gaat het goed met een bedrijf, dan zal de beurswaarde onmiddellijk de toekomstverwachtingen van de aandeelhouders weerspiegelen. Dat verandert echter niets aan de verplichting van het bedrijf om haar obligatieleningen af te lossen. Omgekeerd kan de waarde van een aandeel ook razendsnel kelderen bij slecht nieuws. Bij obligaties is het verlies doorgaans een stuk beperkter.
Tenslotte is ook de stabiliteit van het rendement een voordeel voor de obligatiehouders. Over de uitkering van een dividend wordt in principe elk jaar beslist op basis van de resultaten.
Verzekeraars bepalen vandaag de premies voor een levensverzekering op basis van onder andere de leeftijd, het geslacht, de gezondheidstoestand en de levenswijze van de verzekeringsnemer. Vanaf 22 december 2012 mogen de verzekeraars zich echter niet langer baseren op het geslacht. Voor welke contracten geldt deze nieuwe regel? En wat zijn de gevolgen voor de klant?
De Europese Commissie verbiedt verzekeraars nog langer rekening te houden met het geslacht bij het bepalen van de premie. De richtlijnen zijn van toepassing op nieuwe contracten die vanaf 21 december 2012 worden afgesloten:
Een nieuw contract is:
Een bestaand contract omvat:
[box type="tick"]Onafhankelijk onderzoek[/box]
Wat zijn de gevolgen van deze nieuwe unisekstarieven voor de klant? Uit een onderzoek van het onafhankelijke consultancybureau Oxera blijkt dat de geplande maatregelen een aantal onaangename gevolgen zullen hebben. De studie toont immers aan dat de premies mogelijk zullen stijgen als gevolg van de herverdeling van de hoge en lage risicoprofielen.
Geschat wordt dat
Daarnaast blijkt uit de studie dat een verandering in het premiestelsel wellicht ook de vraag van de consument zal wijzigen. Hij zou ontmoedigd kunnen worden om nog verder te sparen voor zijn oude dag.
Maatschappijen zullen dus op het einde van dit jaar hun premies moeten aanpassen. “Momenteel beschikken we niet over de nodige gegevens om te kunnen zeggen of maatschappijen hun premies voor nieuwe producten nu al aanpassen”, zo luidt het bij Assuralia.
De premies voor een levensverzekeringscontract zullen in de toekomst meer dan waarschijnlijk stijgen. “De tarieven van een uniseksverzekering zouden kunnen stranden in de buurt van het hoogste van de twee huidige tarieven”, aldus de beroepsvereniging. “Een verzekeraar weet namelijk nooit wie de volgende klant zal zijn. Toch moet een maatschappij over voldoende inkomsten beschikken om schadegevallen te bekostigen.”
Verwacht wordt dat tijdelijke contracten, zoals een schuldsaldoverzekering, voor vrouwen duurder zullen worden. Tot nog toe baseerde een verzekeraar zich namelijk op het feit dat vrouwen statistisch gezien langer leven. Voor mannen zal daarentegen een renteverzekering duurder worden.
[box]Bron: consultancybureau Oxera,
www.insuranceeurope.eu/uploads/Modules/Publications/oxera-study-on-gender-use-in-insurance.pdf[/box]
Elke gediversifieerde beleggersportefeuille moet volgens specialisten ook obligaties bevatten. Maar wat is dat eigenlijk, zo’n obligatie, en welke soorten zijn er zoal verkrijgbaar?
[box type="tick"]Obligaties bestaan in vele vormen[/box]
Een obligatie is een financieel product, een verhandelbaar schuldbewijs voor een lening die werd aangegaan door een overheid, een onderneming of een andere organisatie. De uitgever ervan (ook wel de emittent genoemd) verbindt zich ertoe het hem door de koper van de obligatie uitgeleende bedrag op de eindvervaldag aan nominale waarde (tenzij anders vermeld) terug te geven en hem jaarlijks (ook weer tenzij anders vermeld) een bepaalde intrest te betalen. De intrest is ondermeer afhankelijk van de kredietwaardigheid van de emittent. Een goede maatstaf voor die kredietwaardheid is de rating die aan de lening wordt toegekend door partijen als Standard & Poor’s en Moody’s.
Het feit dat een obligatie eigenlijk een soort van lening is, is heel belangrijk voor zij die erop intekenen. Wie een aandeel koopt in een bedrijf, deelt in het risico: als het goed gaat met het bedrijf wordt ook de aandeelhouder daar beter van, als het slecht gaat loopt hij de kans zijn centen kwijt te spelen. Bij een faillissement van een bedrijf worden dan ook eerst de obligatiehouders samen met de andere schuldeisers uitbetaald. Enkel indien er dan nog iets overblijft, kunnen de aandeelhouders langs de kassa passeren.
Daar staat tegenover dat de obligatiehouders niet mee profiteren van de eventuele successen van het bedrijf.
Sommige obligaties hebben specifieke kenmerken. Er bestaan bijvoorbeeld obligaties met een variabele rente die gekoppeld zijn aan een markttarief zoals de interbankenrente. Ook heb je converteerbare obligaties, die onder bepaalde voorwaarden kunnen omgezet worden in aandelen van het bedrijf. Achtergestelde obligaties behoren dan weer tot het eigen vermogen in ruime zin van de onderneming, wat een risico betekent ingeval van een faillissement. Daar staat tegenover dat ze meer intrest bieden dan een gewone obligatie. Eeuwigdurende of perpetuele obligaties tot slot zijn obligaties die in theorie nooit op eindvervaldag komen. In de praktijk wordt op voorhand afgesproken op welke momenten de emittent de lening kan terugbetalen en tegen welke prijs (onder, aan of boven de nominale waarde).
Eerder uitgegeven obligaties worden verhandeld op de secundaire markt. Hun koers gaat dus op een neer als een aandeel, met dat verschil dat je op het eind van de rit altijd weet hoeveel je terugbetaald zal krijgen.
Op de financiële markten en in bancaire kringen hoor je vaak de termen korte- en langetermijnrente vallen. Maar wat wordt daar nu eigenlijk precies onder verstaan?
Rente wordt doorgaans gedefinieerd als de vergoeding voor het uitlenen van geld aan een persoon of instelling. Mensen met te veel geld kunnen dat bijvoorbeeld op een spaarboekje zetten of er kasbons mee kopen. Ze ontvangen daar dan een rente of intrest voor. Mensen met te weinig geld kunnen centen ontlenen, bij een bank bijvoorbeeld. Ook zij betalen daar een rente voor. Die rente is hoger dan degene die de bank je betaalt op je spaargeld. Het verschil, de zogenaamde rentemarge, is een belangrijk deel van de winst die de banken maken.
[box type="tick"]Korte- en langetermijnrente: wat betekenen ze?[/box]
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen korte- en langetermijnrente. Zoals de naam al doet vermoeden, geldt de korte rente voor geld dat voor een korte periode (enkele maanden of een jaar) wordt geleend. Voor periodes van meerdere jaren is de langetermijnrente van kracht.
Op de monetaire en financiële markten heeft het begrip rente ook nog een wat andere betekenis. Hier zijn het de centrale banken, zoals de Europese Centrale Bank (ECB) en de Amerikaanse Federal Reserve (Fed) die aan de touwtjes trekken. Een centrale bank kan via het vastleggen van bepaalde rentetarieven, bijvoorbeeld deze waartegen de ‘gewone’ banken geld bij haar kunnen lenen, de uiteindelijke marktrente aansturen. Indien de centrale bank vreest voor een recessie, kan zij bijvoorbeeld de rente verlagen in de hoop dat bedrijven en particulieren meer gaan investeren en consumeren aangezien lenen goedkoper wordt. Maar het zijn ook en vooral de markten zelf die via het spel van vraag en aanbod die rente aansturen.
De langetermijnrente, bijvoorbeeld deze die de staat betaalt op overheidsobligaties, is vaak gekoppeld aan de inflatie. Indien de markten vrezen dat die inflatie gaat stijgen, gaat ook de langetermijnrente omhoog.
Normaal gezien is de langetermijnrente hoger dan die op korte termijn. Dat klinkt logisch omdat wie zijn geld voor een langere termijn uitleent, daarvoor extra zou moeten beloond worden. Maar toch is dit niet altijd het geval. Dan spreekt men van een inverse rentestructuur.
U wil weten of uw bank wel in goede financiële gezondheid verkeert? Ga dan even na welke ‘rating’ ze toebedeeld kreeg van kredietbeoordelaars als Standard & Poor’s, Moody’s en Fitch. Maar let op: een rating is niet zaligmakend, en bovendien staan de grote ratingbureaus de jongste maanden onder felle kritiek.
Een ratingbureau screent continu het doen en laten van beursgenoteerde bedrijven, banken en overheden. Ze analyseren de balansen of begrotingen, kijken naar de vooruitzichten en leveren op basis daarvan een zogenaamde ‘rating’ af. Zo’n rating bestaat doorgaans uit een aantal letters en soms ook cijfers. Een AAA-rating is meestal de hoogste die je kan krijgen. Houders van zo’n toprating pakken er dan ook graag mee uit in hun communicatie naar de buitenwereld.
Maar een rating is meer dan een of andere trofee die je op je kast zet. Het bepaalt ook mee hoeveel intrest je zal moeten betalen op obligatieleningen wanneer je de kapitaalmarkten wil aftappen. Hoe hoger je rating, hoe minder intrest je betaalt. Logisch, want een hoge rating geeft aan dat de kans klein is dat je niet in staat zal zijn je financiële verplichtingen na te komen.
[box type="tick"]Bankrating geeft gezondheid financiële instelling weer[/box]
De afgelopen maanden en jaren hebben heel wat banken, ook de Belgische, hun rating zien dalen. In 2008 was er de internationale bankencrisis die ertoe leidde dat in veel landen de overheid de financiële sector geld moest toestoppen, nu worden de banken geconfronteerd met de schuldencrisis in een aantal landen uit de eurozone, met Griekenland op kop. Banken hebben traditioneel veel overheidsobligaties in portefeuille, en wanneer de uitgevers van die obligaties in moeilijkheden komen, dalen de koersen ervan.
De jongste tijd neemt de kritiek op de ratingbureaus toe. Door continu in de ratings van landen als Griekenland, Italië, Spanje, Portugal en ja, ook België te knippen, zorgen ze ervoor dat die landen meer intrest moeten betalen op nieuwe leningen. Waardoor ze nog verder in de problemen komen.
Bovendien hebben de ratingbureaus de financiële crisis van 2008 niet echt zien aankomen, en dit ondanks de vele duizenden duur betaalde analisten die ze in dienst hebben. Er gaan dan ook steeds meer stemmen op om strikter toe te zien op de kredietbeoordelaars en hun acties toch enigszins te relativeren.
Wie beslist om een spaarboekje te openen en eens rondkijkt wat de verschillende banken zoal te bieden hebben, ziet al snel niet langer het bos door de bomen. De geafficheerde tarieven zijn vaak weinig transparant en zaten minister van Economie en Consumentenzaken Johan Vande Lanotte zodanig dwars dat hij de onder meer door Test-Aankoop fel belaagde getrouwheidspremie wil afschaffen.
De spaarrekeningen die de financiële instellingen vandaag aanbieden, beloven de klant twee vergoedingen. Enerzijds een basisrente, anderzijds een getrouwheidspremie. Dat is zo sinds op 1 april 2009 de aangroeipremie werd afgeschaft omdat die voor verwarring en misverstanden zorgde bij het bankcliënteel. De getrouwheidspremie werd een verplichting met als motivatie dat dit het ‘shoppen’ tussen de verschillende banken zou ontmoedigen en dus voor meer stabiliteit in de financiële sector zou zorgen.
Twee vergoedingen dus. Eerst en vooral de basisrente. Die wordt geafficheerd op jaarbasis en ‘pro rata temporis’ toegekend voor bedragen die geen volledig jaar op de spaarrekening staan. Simpel dus. Wie zijn centen van januari tot en met juli op een spaarrekening zet en ze daarna er weer afhaalt, zal op het eind van het jaar slechts voor zes maanden rente ontvangen. Duidelijk en transparant, geen speld tussen te krijgen.
Met de getrouwheidspremie, die tot doel heeft de cliënt te belonen voor de ‘trouw’ aan zijn financiële instelling, blijkt de consument als het erop aan komt meer moeite te hebben. Vande Lanotte vraagt zich hardop af hoeveel spaarders eigenlijk weten dat ze voor geld dat ze laat ons zeggen 20 maanden op hun spaarrekening laten staan, toch maar 12 maanden getrouwheidspremie krijgen.
Daar komt nog eens bij, iets wat vaak in de zogenaamde kleine lettertjes vermeld staat, dat er voor sommige spaarrekeningen een minimuminleg vereist is en dat de klant zelfs gepenaliseerd wordt wanneer zijn tegoeden onder een bepaald niveau zakken!
Het kan dus best wel nuttig zijn voortaan te werken met één tarief, zodat vergelijken kinderspel wordt. Maar dat heeft dan weer als nadeel dat het basistarief vandaag wel erg laag is, zodat je spaarrekening eigenlijk een soort van veredelde zichtrekening wordt. Want de banken lijken niet onmiddellijk geneigd om de basisvergoeding op de spaarrekening fors te verhogen wanneer Vande Lanotte zijn zin krijgt.
[box type="tick"]Kijken naar basisrente of getrouwheidspremie?[/box]
Voorlopig lijkt het dus aangeraden om ofwel een goede rekenmachine te kopen en de voorwaarden van de verschillende banken nauwlettend te bestuderen, ofwel elke bank een simulatie laten maken. Let op: je moet dan wel duidelijk aangeven wat je initiële inleg zal zijn, met welke frequentie en omvang je wil bijsparen en wanneer je denkt je centen terug op te vragen. Veel succes!