Een lage inflatie zorgt ervoor dat er aan onze koopkracht bijna niet geknaagd wordt. Maar uitgeven is niet het enige wat we met geld kunnen doen! Een grootschalige enquête heeft trouwens onlangs bevestigd dat het cliché dat de Belg een grote spaarder is, grotendeels klopt. Toch heeft de schuldencrisis het spaargeld van de meeste Europeanen flink aangetast. Er staat bijgevolg minder geld op de spaarboekjes, nochtans blijft de rente laag. Hoe kan dit, vermits, normaal gezien, wat niet in overvloed aanwezig is (in casu, spaargeld), aan waarde wint? Hoe zit het nu met het verband tussen inflatie en rente? Is er wel een relatie?
Een rechtstreeks en een onrechtstreeks verband
Door de crisis vertraagt de economie, dat weten we. In crisistijd is er geen grote vraag naar goederen, dus zal de inflatie, zoals nu, laag liggen. In crisistijd is het ook gevaarlijk om te ondernemen. Om de economie aan te wakkeren, wil men het geld, dat nodig is om te ondernemen, goedkoper maken. Daarom heeft de Europese Centrale Bank de rente op een historisch laagtepunt (0,5 %) geplaatst. En dit heeft een grote invloed op de rente die door de andere banken gegeven wordt. Daardoor is het nu interessant om geld te lenen. Maar niet om geld opzij te leggen, vermits het weinig opbrengt.
Een ongewone situatie
De daling - door de crisis - van het aanwezige volume aan spaargeld zou normaal tot gevolg moeten hebben dat de rente stijgt. Voor onze beleidsmensen is het allerbelangrijkste echter de inflatie te beteugelen, ervoor te zorgen dat er geen te grote inflatie komt, omdat dit catastrofaal zou kunnen zijn voor een mogelijk herstel van de economie. Zij willen de economie draaiende houden. Een lage rente lijkt het beste middel tegen zulk een grote inflatie. Normaal zorgt een lage inflatie er ook voor, dat er meer spaargeld vrijkomt. En als er meer spaargeld voorhanden is, is het ook normaal dat dit op de rente drukt. Dit alles verklaart waarom wij nu een lage rente hebben.
Wat nu?
De situatie is natuurlijk niet eenvoudig voor wie geld wenst te plaatsen. Het spaarboekje is op het ogenblik absoluut niet interessant. We zitten zelfs in een situatie waarbij de (lage) inflatie toch hoger ligt dan de (nog lagere) rente. Vermits het geld dus minder opbrengt dan de inflatie, verliest men op zijn spaargeld.
Nochtans kunnen sommigen van deze situatie gebruik maken om er baat uit te halen: zo kan het interessant zijn om een lening vroegtijdig terug te betalen of een hypothecaire lening te herfinancieren. Er bestaan natuurlijk ook andere manieren om zijn geld te plaatsen, buiten het spaarboekje. Dit zou ons echter te ver leiden.
De Europese economie verkeert dus op het ogenblik niet helemaal in een gewone situatie. Het is echter van belang dat de inflatie in toom gehouden wordt. Blijkbaar slaagt men hierin, wat toch hoopgevend is.
Wij zagen wat inflatie is en welke de recente evolutie ervan is, zowel in Europa als in ons land. Nu blijft de vraag: is inflatie goed of slecht voor de koopkracht en voor de economie? Het is niet zo gemakkelijk hierop een eenvoudig antwoord te geven, en we moeten genuanceerd zijn.
Een lage inflatie: goed voor de koopkracht?
Als we ons baseren op de definitie, dan lijkt het antwoord niet moeilijk. Indien de inflatie daalt en laag blijft, dan is dit in eerste instantie zeker niet slecht voor onze koopkracht. Het geld heeft dan inderdaad relatief meer waarde (ten opzichte van de diensten en producten), zodat we met hetzelfde geld meer kunnen kopen. Of in elk geval, met dezelfde inkomens daalt onze koopkracht niet. Het is eigenlijk niet bij een lage inflatie (de prijzen stijgen, maar langzaam), wel bij deflatie (de prijzen dalen) dat de koopkracht effectief stijgt. Op deflatie moeten wij echter ook niet hopen, zoals wij later gaan zien.
Zo eenvoudig is het echter niet. Als het geld meer waard is, blijft natuurlijk de vraag wat de mensen ermee gaan doen. Dat kan ervan afhangen hoe ze de toekomst zien. Gaan ze het besteden om nu te kopen (later kan hetzelfde goed inderdaad duurder kosten), dan gaat de vraag stijgen. En als de vraag stijgt (ten opzichte van het aanbod), gaan ook de prijzen stijgen. En dat veroorzaakt juist inflatie!
Er is echter nog een andere mogelijkheid: de mensen geven het geld niet uit en sparen. Als dit op grote schaal gebeurt, zal het gespaarde geld niet veel opbrengen! En we weten dat de Belgen graag sparen. Toch zijn er in zulke situatie andere interessante zaken die men met zijn geld kan doen, zoals bijvoorbeeld een lening vroegtijdig terugbetalen of een hypothecaire lening herfinancieren. We moeten ook rekening houden met het – bijna uniek- systeem van de loonindexering bij ons. Als de prijzen stijgen, dan wordt deze stijging opgevangen door een automatische verhoging van de lonen, … wat een stijging van de prijzen meebrengt.
Een te lage inflatie: slecht voor de economie?
Zoals we zagen, zijn de verschillende parameters met elkaar verbonden. Een lage inflatie is op zich niet schadelijk voor de economie, wel integendeel. Een te lage inflatie (of een deflatie) kan wel een symptoom zijn dat de economie niet goed draait. En deflatie kan wel gevaarlijk zijn voor de economie: deflatie is geldvermindering, in verhouding tot de hoeveelheid goederen. Deflatie kan tot gevolg hebben dat de mensen op grote schaal hun uitkopen gaan uitstellen, omdat zij dan denken dat zij later voor hetzelfde geld meer zullen krijgen. Wat gaan de producenten in die situatie doen? Hun prijzen verlagen, om toch te kunnen verkopen. Zo kan een negatieve spiraal ontstaan, en indien die op grote schaal plaatsheeft, kan de economie stilvallen, met alle gevolgen van dien. De bedrijven zullen dan ook mensen moeten ontslaan. En wie geen werk heeft, zal minder uitgeven. Zo gaat de spiraal verder. Dit kan leiden tot recessie, of zelfs tot een economische ineenstorting. Eerlijkheidshalve moet hier wel aan toegevoegd worden dat niet alle economisten het hierover eens zijn.
Meestal zal men toch proberen om deflatie te vermijden. De centrale banken die het monetair beleid voeren, zullen streven naar het handhaven van een lage inflatie.
Dit is de situatie die we op het ogenblik kennen. Op zich is deze situatie dus niet ongunstig, maar daarmee we zijn nog niet uit de crisis…
Wij zagen wat inflatie juist inhoudt en welke de negatieve en eventueel positieve aspecten ervan waren. Nu moeten we eens bekijken hoe deze in ons land en in Europa evolueert. De inflatie is op het ogenblik zeker niet de grootste zorg van onze politieke leiders. De werkloosheid, de budgettaire inspanningen en de monetaire problemen vragen veel meer aandacht. Toch mag men de evolutie van de inflatie nooit uit het oog verliezen, omdat de invloed ervan op de economie belangrijk is.
Evolutie in Europa
Als we niet te ver teruggaan in de geschiedenis, dan stellen we vast dat de laatste grote pieken van inflatie in Europa plaatshadden in het zog van de petroleumcrisissen van 1973 en 1979. Toen steeg de inflatie respectievelijk tot boven 15 en 10 %. Dichter bij ons, in het jaar 1991, bereikte de inflatie een hoogte van 5 %. Dan volgde een daling tot begin ’99, toen de inflatie onder 1 % lag. In de daaropvolgende jaren schommelde de inflatie tussen 2 en 3 %, om plots een hoogte van 4 % te halen op het ogenblik van de nieuwe plotse olieprijsstijging en van de beurscrisis in 2008. De schok van deze crisis veroorzaakte reeds in 2009 even plots een daling tot onder de 0 %, dus een kleine deflatie. Dan steeg de inflatie weer, om in 2011 3 % te bereiken. Dit jaar moeten we weer een daling vaststellen tot nauwelijks boven 1 %.
Een inflatie van 2 tot 3 % per jaar heet een normale of lage inflatie, we moeten bijgevolg constateren dat we in de laatste jaren geen abnormale inflatie gekend hebben (of toch niet lang). Het handhaven van zulk een lage inflatie is een belangrijk doel van de Europese Centrale Bank (ECB) die het uitgeven van het geld beheert en bijgevolg het monetair beleid voert. In de EU wordt de consumentenprijsinflatie gemeten met het Geharmoniseerd indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP).
…en in België
In ons land wordt de inflatie gemeten aan de hand van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Het indexcijfer van de consumptieprijzen geeft het verloop weer van het prijspeil van een goederen- en dienstenpakket dat representatief is voor de gemiddelde uitgaven van de gezinnen. Het is duidelijk dat ons land een zeer “open” economie heeft, en dat de inflatie bij ons aanleunt bij het Europese gemiddelde. Vaak zal die bij ons wel hoger liggen dan in de rest van Europa, o.m. omwille van het mechanisme van de index en van de geïmporteerde inflatie. Zo bereikte de consumptieprijzenindex in 2009 de 6 % (t.o.v. 4 % als Europees gemiddelde). Voor april van dit jaar bedraagt de inflatie in ons land juist 1 %, met een jaargemiddelde van 1,19 %. We mogen ons dus gelukkig achten.
Bij onze buren
De inflatie (of het ontbreken ervan) kan in bepaalde landen ook een teken zijn van de toestand van de economie. Zo moet men vaststellen dat de inflatie in Griekenland sinds november 2012 onder 1 % ligt, en sinds maart 2013 zelfs negatief is. Men heeft er dus een deflatie. Niet echt een teken dat de economie goed draait… In onzekere tijden gaan de mensen immers niet veel geld uitgeven. In Duitsland, daarentegen, bedraagt de inflatie actueel 1,4 % en in Luxemburg zelfs 1,9 %.
Inflatie is voor onze portefeuille nooit een goede zaak, een gebrek aan inflatie kan ook een teken zijn dat de economie niet goed draait. Inflatie, ja, maar met mate.
Wij vonden het interessant eens een oogje te werpen op een fenomeen dat een grote rol speelt in de economie: de inflatie. Niet dat wij op het ogenblik hieronder bijzonder te lijden hebben, wel integendeel. Maar ook het uitblijven van inflatie is veelzeggend en belangrijk.
Het is allemaal een kwestie van vraag en aanbod: als de vraag naar “iets” het aanbod overtreft, wordt dat “iets” kostbaarder. Wanneer het aanbod de vraag overtreft, dan verliest dat “iets”aan waarde. En dat “iets” kan zowel geld als goederen zijn. Zuivere logica.
Wat?
De inflatie is eigenlijk de geldontwaarding, de waardevermindering van het geld. En wanneer vermindert de waarde van het geld ? Wanneer de hoeveelheid eraan toeneemt. Dit is de monetaire inflatie. Deze inflatie is dus het gevolg van een overaanbod aan geld.
In de meeste gevallen heeft men het vandaag eerder over een prijsinflatie, dit wil zeggen, een stijging van de prijzen van de goederen. Deze prijsstijging heeft tot gevolg dat men met hetzelfde geld minder goederen of diensten kan kopen. Bijgevolg daalt de koopkracht.
Meestal wordt inflatie met argusogen bekeken, maar een beperkte inflatie (niet hoger dan 2 %) is meestal niet schadelijk voor de economie.
Soorten
Er bestaan verschillende soorten inflatie, want de oorzaken van deze prijsstijgingen kunnen variëren. De bestedingsinflatie komt er, als de mensen veel geld wensen uit te geven. Er is dan een grote vraag naar goederen, maar het aanbod volgt moeilijk. Deze goederen worden schaarser, dus duurder.
De prijzen kunnen echter ook stijgen omdat de productiekosten voor de bedrijven stijgen. Het aanmaken van de goederen kost meer, bijvoorbeeld omdat de grondstoffen duurder worden. Bijgevolg moeten de bedrijven meer uitgeven om hetzelfde te produceren : om een gelijke winst te bewaren, moeten zij de producten aan een hogere prijs verkopen. Dit is de kosteninflatie. Een type productiekost is de loonkost. Ons land verkeert in een bijzondere situatie, omdat de index de loonkosten zal doen stijgen, met als rechtstreeks gevolg … dat ook de prijzen omhoog zullen gaan ! Maar de index verhoogt juist … wanneer de prijzen stijgen. Een echt vicieuze cirkel: in rationelere termen spreekt men van een wederzijdse beïnvloeding.
We leven echter in Europa en in een gemondialiseerde wereld, niet op een eiland. Daarom kan ons land ook gemakkelijk het slachtoffer worden van geïmporteerde inflatie. De prijsstijgingen in ons land worden dan veroorzaakt door de stijging van de prijzen van de producten die we importeren. En wij importeren veel, zoals wij ook veel exporteren.
Goed of slecht?
Terwijl een lage inflatie niet slecht is voor de economie, kan een hoge inflatie wel rampzalig zijn. Er bestaan verschillende scholen met verschillende oplossingen voor de beteugeling van de inflatie. Sommigen dringen aan op een regulering van de geldhoeveelheid. Inflatie is ook in verband te brengen met rente. De inflatie is nu laag, en ook de rente ligt laag. Het is nu interessant om geld te lenen, maar aan de andere kant brengt het geld natuurlijk weinig op. En wanneer het geld minder opbrengt dan de inflatie, verliest men zelfs geld.
De fiscus paste begin dit jaar opnieuw de fiscale grensbedragen aan die u een voordeel kunnen opleveren. Hieronder vindt u een overzicht van de aangepaste bedragen voor het aanslagjaar 2013 (inkomstenjaar 2012).
De ontdekking van oliebronnen en nieuwe technieken om het goedje te ontginnen lijken volgens recente studies een serieuze impact te zullen hebben op het olieaanbod, dat opnieuw zou kunnen beantwoorden aan de toegenomen vraag. Maar het is nog niet zeker of de olieprijs daarmee definitief onder controle is. En of dit een goede zaak is voor het milieu…
Op het hoogtepunt van de financiële crisis, in juli 2008, bedroeg de marktprijs voor een vat ruwe olie bijna 150 dollar per vat. Dat was meer dan het dubbele van twee jaar eerder. Algemeen werd aangenomen dat lage olieprijzen nooit zouden terugkeren. De reden was eenvoudig: de vraag nam toe en het aanbod kon niet volgen.
Het rijke Westen slaagt er, ondanks een aantal inspanningen, niet in zijn olieverbruik te verminderen en kreeg nu ook gezelschap van opkomende economieën als China, dat zijn vraag naar het zwarte goud tussen 2000 en 2010 met 90 procent zag toenemen.
Tegelijk leek het moment van de “piekolie” akelig nabij. Vanaf dan zal de wereldwijde olieproductie en dus het aanbod immers beginnen afnemen. NGO’s, overheden en de industrie sloegen de handen in elkaar om hernieuwbare energiebronnen en elektrische wagens zo gauw mogelijk rendabel te maken.
De prijscorrectie die hetzelfde jaar nog volgde, veroorzaakt door de afgenomen industriële activiteit als gevolg van de crisis, leek slechts een tijdelijke dip in een onvermijdelijk opwaartse trend.
Maar dat was zonder de creativiteit van de sector gerekend. Met onconventionele technieken als horizontaal boren en hydraulisch breken zijn oliebedrijven erin geslaagd eerder onbereikbaar gewaande oliebronnen te ontginnen. Naast de VS met zijn grote voorraad schaliën en Canada met zijn olierijk zand, zouden ook landen als Brazilië of Irak hun productie aanzienlijk kunnen opdrijven.
Door het op grote schaal toepassen van deze nieuwe technieken, kan men de kost ook lager houden dan aanvankelijk gedacht. Vandaag zou men via deze technieken al voor 30 of 40 euro per vat produceren.
Maar de nieuwe technieken houden heel wat risico’s voor het milieu in. Van het hydraulisch breken is bekend dat het vervuilend is en aardbevingen kan uitlokken. Bovendien dreigen deze ontginningen de “sense of urgency” in het debat van de opwarming van de aarde aan de kant te schuiven.
In de aanloop naar de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten haalden enkele Republikeinen het idee van de goudstandaard van onder het stof.
Hoewel de goudstandaard enkele onmiskenbare voordelen heeft, zijn de meeste waarnemers het erover eens dat een terugkeer in de huidige economische omstandigheden onrealistisch zou zijn.
Terug in de tijd
In 1971 koppelde Richard Nixon de dollar definitief los van de goudprijs. Omdat de meeste belangrijke munten gekoppeld waren aan de dollar, betekende die loskoppeling het einde van de wereldwijde goudstandaard.
Goud heeft in de geldgeschiedenis steeds een belangrijke rol gespeeld. Door zijn onmiskenbare kwaliteiten (zeldzaam, zwaar, goed te vervormen) werd het edele metaal van oudsher boven andere grondstoffen verkozen als betaalmiddel.
In de loop van de negentiende eeuw, toen bankbiljetten de plaats van goud- en zilvermunten innamen, kwam een eerste internationale goudstandaard opzetten: elke munteenheid had een vaste wisselkoers tegenover goud en dus ook tegenover de andere eenheden. Het systeem verminderde het risico op inflatie en werkte onevenwichten in de internationale handel weg.
In 1933, tijdens de Grote Depressie, werd de goudstandaard echter afgevoerd, onder meer omdat het overheden niet toeliet de crisis te verzachten door geld in de economie te injecteren.
Een oplossing voor de crisis?
In het huidige systeem, dat sterk geïnspireerd is door de gedachten van de Britse econoom John Maynard Keynes, kan de overheid naar hartenlust geld in de economie pompen zonder dat daar een bepaalde hoeveelheid goud moet tegenover staan. Dat is wat de Amerikaanse Federal Reserve (voor biljoenen dollars) heeft gedaan met haar rondjes “quantitative easing”.
De grote hoeveelheden geld die op die manier op de markt komen verhogen het risico op inflatie, en dat is precies wat de goudstandaard kan tegengaan. De aanhangers van het monetaire systeem wijzen ook op de enorme rekeningen die de VS heeft openstaan bij zijn handelspartners, niet in het minst bij China. De goudstandaard laat het niet toe geld uit te geven dat je niet hebt. Vergelijk het met een debietkaart in plaats van een kredietkaart.
Maar de voorstanders vormen slechts een kleine minderheid. Een groot probleem met de goudstandaard is dat je je economie effectief afhankelijk maakt van goud. Landen met een grote natuurlijke voorraad worden bevoordeeld en als er plots te weinig goud is –door bijvoorbeeld een staking in Australische mijnen- vermindert ook de hoeveelheid geld in de economie, wat op zijn beurt een crisis kan uitlokken. De mogelijkheid die overheden vandaag hebben om op die moeilijke momenten de economie te stimuleren zou wegvallen.
Het bankgeheim staat sinds het begin van de crisis in 2007 onder toenemende internationale druk. Met de Rubik akkoorden doet Zwitserland nog een poging zijn status als belastingparadijs te beschermen, maar de meeste landen lijken er niet op in te gaan.
Voor en tijdens de tweede wereldoorlog maakten de nazi’s gebruik van de Zwitserse banken om oorlogsbuit weg te sluizen. Maar tegelijk konden Joden er terecht om hun fortuin verborgen te houden voor de Duitsers. Dat vat de pro’s en contra’s van het bankgeheim meteen samen: de bescherming van het individu tegen de staat versus een potentieel platform voor crimineel geld. En momenteel weegt dat nadeel door in de balans die politieke leiders in crisistijden hanteren. Toch zal Zwitserland één van de sterkhouders van haar economie niet zomaar opgeven.
In september 2012 stelde de Zwitserse overheid via de “Rubik-akkoorden” voor om, in ruil voor het behoud van zijn bankgeheim voor Belgische rekeninghouders, ons land een forse betaling over te maken. Didier Reynders sprak over een mogelijke opbrengst van tien miljard euro, maar dat bedrag was weinig waarschijnlijk. De Duitsers, die naar schatting meer dan een vijfvoud op Zwitserse rekeningen hebben staan, voorspelden een opbrengst uit de Rubik-deal van ‘slechts’ elf miljard euro.
Het Duitse parlement verwierp eind november de deal en ook in België werd het idee afgeschoten, eveneens omdat het ingaat tegen de tendens naar een ruimere informatie-uitwisseling en transparantie. Om die reden is ook de Europese Commissie tegen de Rubik-overeenkomsten gekant.
Een eerdere scheur in het Zwitserse bankgeheim kwam er in 2009. Toen zetten de Verenigde Staten een belangrijke stap naar meer transparantie door de Zwitserse zakenbank UBS te verplichtten namen van meer dan 5000 Amerikaanse klanten door te spelen.
De jongste jaren werden ‘KB Lux-gewijs’ ook enkele CD’s verkocht met data over buitenlandse klanten van Zwitserse banken. De Frans-Italiaanse Hervé Falciani, voormalig informaticus bij HSBC in Zwisterland, gaf in 2009 gedetailleerde gegevens van tienduizenden buitenlandse rekeninghouders aan de Franse fiscus, goed voor naar schatting zeven miljard euro aan potentiële overheidsinkomsten. En in 2012 verkregen enkele Duitse deelstaten CD’s met informatie over landgenoten met een Zwitserse bankrekening. Het zette onmiddellijk duizenden Duitsers aan hun financiële posities bekend te maken om celstraffen te vermijden.
We besluiten hier ons overzicht van de hervormingen van 2013 door een oogje te werpen op de nieuwigheden voor de beleggingen en de ondernemingen.
[box type="tick"]Beleggen[/box]
De roerende voorheffing op spaarproducten stijgt. Er komt een “vereenvoudiging” – lees “verhoging” – van de roerende voorheffing op zichtrekeningen, kasbons, termijnrekeningen en obligaties. In plaats van 21 %, komt er nu een uniform tarief van 25 %. Voor de spaarboekjes verandert er echter niets. Ook voor de zogenaamde Leterme-bon blijft de situatie onveranderd op 15 procent.
De premietaks op levensverzekeringen verhoogt van 1,1 naar 2 procent. Deze verhoging geldt voor de TAK21- en de TAK23-producten. De schuldsaldoverzekeringen en pensioenfondsen blijven zoals ze zijn, op 1,1 %, en ook de groepsverzekeringen en de pensioenfondsen (4,4%) blijven gespaard.
Vastgoedbevaks, fondsen die rechtstreeks in vastgoed beleggen, worden vanaf 2013 aan een bevrijdende roerende voorheffing van 15 % onderworpen. Tot 31 december 2012 was dit nog 0 %.
Er komt een stijging van de belasting op de omzetting van de aandelen aan toonder. Zoals we zagen, moeten aandelen aan toonder uitgegeven vóór 23 december 2005 ten laatste op 31 december 2013 omgezet worden in aandelen op naam of in gedematerialiseerde aandelen. Maar vanaf 1 januari 2013 stijgt de taks die geïnd wordt bij de omzetting van de aandelen aan toonder van 1 naar 2 %. Zo hoopte de regering de dematerialisatie van de aandelen aan toonder te bespoedigen.
[box type="tick"]Bedrijven[/box]
Het jaarlijks maximumbedrag dat een werkgever fiscaalvrij als loonbonus kan uitbetalen aan een groep werknemers, wordt opgetrokken van 2.430 naar 3.100 EUR. Tot maximum 3.100 EUR moet hierop dus geen belasting betaald worden, wel sociale bijdragen.
Voor het inkomstenjaar 2013 (aanslagjaar 2014) zakt het basistarief voor de notionele interestaftrek van 3 naar 2,74 %. Voor kmo’s daalt het van 3,5 naar 3,24 %.
Aanpassing van de 50+-premie. Werkgevers die een werkzoekende 50-plusser aanwerven, kunnen daarvoor een premie krijgen van de Vlaamse overheid. De Vlaamse regering betaalt een loonsubsidie tot 30 % van de loonkosten gedurende het eerste jaar voor 50-54’ers die werkzoekend zijn. Deze premie gaat tot 50 % gedurende 1 jaar voor 55-plussers en voor 50-54’ers die langer dan één jaar werkloos zijn. Voor deze premie komen alle 50-plussers in aanmerking die langer dan twee jaar werkzoekend zijn. Het systeem werd vanaf 1 januari hervormd, om flexibeler te kunnen inspelen op de doelgroep.
Vanaf het inkomstenjaar 2013 (aanslagjaar 2014) wordt een afzonderlijke aanslag ingevoerd op de meerwaarden bij de verkoop van aandelen door holdings en bedrijven. Het tarief bedraagt 0,4 %, maar kmo’s ontsnappen aan de taks.
De regering had bij de recente begrotingsmaatregelen aangekondigd dat de milieutaks op batterijen, wegwerpfototoestellen, verpakkingen van inkten, lijmen en oplosmiddelen vanaf 1 januari 2013 zou worden afgeschaft. Deze maatregel lijkt nog niet echt van toepassing te zijn.
Hiermee hebben wij ons overzicht afgerond. Laten we hopen dat het nieuwe jaar ook tal van aangename verrassingen zal brengen.
Het nieuwe jaar brengt bijzonder veel veranderingen, en op allerlei gebieden. Verleden jaar hadden we de nieuwigheden nog opgesplitst in aangename en onaangename veranderingen. Maar we moeten wel toegeven – zonder te pessimistisch te klinken – dat er dit jaar wel weinig positiefs te bespeuren valt. Aan de andere kant is het negatieve nieuws wel niet altijd echt ingrijpend.
[box type="tick"]Algemeen[/box]
Het was te verwachten, nu is het zover: er komt een stijging van de accijnzen op tabak en alcohol. Concreet zal een fles wijn zo’n 4 cent duurder worden, en een pakje sigaretten, 20 cent.
De postzegel wordt duurder. Bij aankoop van 10 zegels of meer, kost een zegel voor een genormaliseerde brief naar het binnenland voortaan 0,67 EUR (0,77 EUR per stuk). Voor een Europese bestemming is het nu 1,03 EUR vanaf 5 zegels (resp. 1,13 EUR), voor een bestemming buiten Europa, 1,24 EUR (resp. 1,34 EUR). Dit zijn prijsstijgingen van 3 tot 5 %.
Ook enkele telecomoperatoren rechtvaardigen hun prijsstijgingen door te verwijzen naar de evolutie van de index.
Zoals wij enkele dagen terug reeds aangekondigd hebben, stijgt de prijs van de dienstencheques van 7,50 naar 8,50 EUR.
[box type="tick"]Auto[/box]
Er komt een nieuw rijbewijs in bankkaartformaat. Deze kaarten zullen 10 jaar geldig blijven en 20 EUR kosten, 4 EUR meer dan het huidige (papieren) rijbewijs. Op termijn zal iedereen zo’n “Europees” rijbewijs moeten hebben.
Onbetaalde verkeersboetes worden voortaan via de belastingafrekening geïnd. Wie vroeger een verkeersboete niet betaalde, kwam dikwijls pas na een lange weg voor de politierechter. Nu zullen onbetaalde boetes verrekend worden met de tegoeden van de belastingplichtige.
[box type="tick"]Bedienden[/box]
De recente overschrijding van de spilindex brengt in januari een stijging met 2,35 % van de lonen van meer dan 400.000 bedienden. Het gaat om de bedienden die vallen onder het ‘aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden’ (ANPCB – paritair comité 218), het grootste paritair comité van het land. Maar deze evolutie van de index veroorzaakt op haar beurt een hele reeks prijsstijgingen.
De stijging van de werkloosheidsuitkeringen (van 60 naar 65% van het laatste salaris) voor wie zijn baan verliest, wordt van kracht.
Er komen ook nieuwe loongrenzen voor bedienden. De hoogte van het loon bepaalt voor bedienden enkele regels, zoals de duur van de proefperiode en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Deze grenzen worden jaarlijks geïndexeerd, zodat er van nu af nieuwe bedragen gelden.
We zagen hier enkele algemene veranderingen die een invloed kunnen hebben op onze portefeuille. We gaan nu verder zien welke aanpassingen wij kunnen verwachten op enkele bijzondere gebieden.